Onderstaand interview is door mij in 2014 opgetekend ten behoeve van een documentatie- centrum. Het betreft mijn toenmalige chef bij de Tamboers en Pijpers van het Korps Mariniers; opperpijper (adjudant) Jan Hamers. In november 2015 is hij op 95-jarige leeftijd overleden.

Door: Harry Pruijsten

Hij woonde in een seniorenflat aan het Homerusplein 317 te Rotterdam en deed dit tot februari 2012 samen met zijn vrouw en jeugdliefde Maria Le Grand. Ik woonde niet ver van hem vandaan en liep nog wel eens bij hem binnen. Tot de laatste dag was hij scherp van woord en geest en kon indrukwekkend vertellen over zijn loopbaan bij het Korps Mariniers. Mijn verzoek aan hem om hem te mogen interviewen stond hij na enig aandringen toe. Ik heb het bewaard en wil u er deelgenoot van maken.

Opper-pijper Hamers tijdens de reünie T&P september 2002

U heeft een mooie carrière gemaakt bij het Korps Mariniers en geniet al heel wat jaren van een welverdiend pensioen. Ik ken u vooral uit mijn tijd in de Van Ghentkazerne, dat was in de midden 60-er jaren. U bemande samen met de kapitein Henk Roozendaal het bureau Marinierskapel; begane grond, 1e kamer links. Ik ben eigenlijk wel benieuwd hoe u in deze functie gegroeid bent.

“Ik ben in 1920 in Westkapelle, Zeeland, geboren. Op de ambachtsschool heb ik mijn schilder diploma behaald. Daarmee ben ik in de burgermaatschappij aan de slag gegaan, maar het was de midden 30-er jaren, crisistijd en ik verdiende ondanks werkdagen van 10 uren maar zeer weinig. Ik heb het dan over 6 losse centen per uur”.

De meeste tamboers en pijpers waren al vroeg met muziek bezig. Was dit ook voor u van toepassing?

“ Ja, als ik even vrije tijd had speelde ik op mijn trompet. Ik was daar al jong mee begonnen en was actief lid bij de plaatselijke harmonie, zoals trouwens veel jongeren in die tijd. Er was niet zo veel, maar daar vond ik ontspanning. Toch wilde ik verder gaan kijken wat de wereld mij te bieden had. Dat schilderen had ik al snel gezien. Ik solliciteerde op 17-jarige leeftijd bij het Korps Mariniers. Ik wilde verder in de muziek, kon al muziek lezen en kwam in opleiding als pijper”.

Waar kreeg u deze opleiding?

“Ik werd geplaatst in de Marinierskazerne aan het Oostplein. Mijn opleider was de tamboer-maitre Aad Heinhuis. Na mijn opleiding ging ik naar Den Helder en werd geplaatst op het wachtschip Hertog Hendrik. In die tijd was het, net als in Rotterdam trouwens, gebruikelijk om iedere dag door een gedeelte van de stad te marcheren, met de muziek voorop”.

De mobilisatie kwam er aan. Hoe hebt u deze beleefd?

“In 1939 werd ik geplaatst aan boord van de kruiser Hr. Ms. Sumatra. Deze had als thuishaven Vlissingen en dat kwam mij zeer goed uit. Ik was inmiddels verloofd met mijn eerste en enige liefde Maria Le Grand. Ik was op 10 mei 1940 in Vlissingen toen de oorlog uitbrak. De Sumatra nam deel aan de strijd en heb gezien dat een vijandelijk vliegtuig met het boordgeschut werd neergehaald. De Duitse vliegtuigen gooiden zeemijnen af. Ons schip was niet gedemagnetiseerd waardoor we niet weg konden varen. Franse mijnenvegers kwamen ons te hulp en zo was het mogelijk uit te wijken naar Engeland, waar we zonder schade op 12 mei aankwamen. Daar werd ons schip gedemagnetiseerd. Op 2 juni kwam koningin Juliana met haar dochters Beatrix en Irene aan boord van onze kruiser Sumatra. Onder begeleiding van Hr. Ms. Heemskerck werden zij naar Canada overgebracht. Na een negendaagse reis vanuit Londen kwamen we op 11 juni 1940 aan in Halifax. Met de Sumatra waren we zeer actief, niet alleen in de strijd tegen de Duitsers, maar ook in het begeleiden van een passagiersschip vanuit Engeland naar Kaapstad. Aan boord waren alleen maar kinderen die het bombardement op Londen hadden overleefd. Vervolgens gingen we naar Soerabaja in Nederlands Indië en werd ik geplaatst op de Marinierskazerne Goebeng.

Erewacht a/b Hr.Ms. Tromp 3 mei 1946

U was in Nederlands-Indië en uw verloofde alsmede naast familieleden waren in Nederland. Tegenwoordig zijn er moderne communicatiemiddelen. Hoe was dit in die tijd?

De oorlog was in Azië nog niet doorgedrongen. Het dagelijkse leven ging daar gewoon verder. Er was contact met briefpost. Ik ging als trompettist bij een marine band spelen en trok door Oost Java. Dit was ook om good will te kweken bij de bevolking. Door zakenlieden, zoals planters, werd geld overgemaakt, als bijdrage voor de aanschaf van jachtvliegtuigen die in Europa werden ingezet in de strijd tegen de Duitsers.

Op 7 december 1941 viel de Japanse Keizerlijke marine de Amerikaanse vlootbasis Pearl Harbor aan. Een groot deel van de Amerikaanse schepen die in de haven lagen, werd tot zinken gebracht of beschadigd. De aanval op Pearl Harbor zorgde ervoor dat de Verenigde Staten bij de Tweede Wereldoorlog betrokken raakten. Wat was uw rol?

Ik had geluk, want doordat ik niet meer op Hr.Ms Sumatra dienst deed, was ik ook geen deelgenoot aan de daarop volgende slag en het drama wat zich daarna afspeelde op 27 februari 1942 in de Javazee. Hierbij zijn veel bekenden van mij om het leven gekomen. Ik werd ingedeeld bij een mariniersbataljon onder leiding luitenant-kolonel Roelofsen. We waren slecht bewapend, maar hebben ons toch zo veel als mogelijk verweerd tegen de Japanse inval. Wij hadden ons ingegraven op de scheiding van Malang en Soerabaja. Het K.N.I.L. was hier reeds vertrokken. Ik zie mij nog steeds in een schuttersput zitten, terwijl er een tank van het Japanse leger naderde. Ik zag het zwiepen van een antenne. Voor Roelofsen was er geen weg terug en ik moest blijven zitten. Ik dacht als hij over mijn schuttersput rijdt dan ben ik er geweest, maar vlak voor mijn schuttersput sloeg hij af. En weer was het lot mij goed gezind.

We weten allemaal dat de mariniers op Java geen schijn van kans hadden tegen de fanatieke en goed bewapende Japanners. Uiteindelijk hebben ze het onderspit moeten delven. Hoe lang hebben jullie het hier nog, in deze benarde positie, vol kunnen houden?

In deze onhoudbare toestand besloot Roelofsen uit te wijken naar Malang en hoopte naar Australië weg te kunnen komen en van daaruit de strijd voort te kunnen zetten, maar we werden omsingeld door de Japanners en krijgsgevangen gemaakt. Massale opsluiting in een kamp volgde. Omdat we nog contact hadden met de buitenwereld, wat de Jappen niet accepteerden, werden twee mannen als voorbeeld voor de troep geëxecuteerd. We wisten toen met wie we te maken hadden: een zeer wrede vijand. Na enige tijd werden we van Malang als vee in een stampvolle trein overgebracht naar Batavia om daar uiteindelijk te belanden in een krijgsgevangenenkamp. Vervolgens werden we met Japanse kustvaarders, waar de leefomstandigheden mensonterend waren, overgebracht naar Malakka. Daar volgde een dagen lange treinreis dwars door Malakka; overdag bloedheet en ‘s nachts bitter koud. Uiteindelijk kwamen we uitgehongerd in een Japans gevangenenkamp waar wel 20.000 geallieerden waren gehuisvest. Hierna moesten we een voettocht van 10 dagen door het oerwoud maken en daarbij de spullen van de Japanners meetorsen. We waren uitgehongerd en er slecht aan toe. We leefden op wat rijstepap. Uiteindelijk kwamen we in Thailand aan en werden we in september 1942 gedwongen te werken aan de Birma spoorlijn tussen Thailand en Birma.

Over de Birma spoorlijn wordt veel verteld. Inmiddels is het een toeristische attractie. Ben u later daar nog wel eens terug naar toe geweest of kon u dit niet meer opbrengen na al het leed wat daar aan de arbeiders werd aangedaan?

Ik heb daar veel geleden en wil daar ook niet te veel over praten. Wat ik nog wel wil vertellen is dat op een dag liefhebbers werden gevraagd voor een klus. Er werd niet gezegd wat het was, maar ik stak mijn vinger op. Ik moest vervolgens bij de rivier handmatig water oppompen. Mijn benen lagen echter helemaal open door de scherpe takken van het oerwoud. Het waren wonden die gingen zweren. Als er niets aan werd gedaan liep ik kans dat ik mijn benen zou verliezen, zoals bij andere reeds was gebeurd. Van de Japanners kreeg ik toen wondpoeder om ze te verzorgen en dat hielp inderdaad. Ik had het erg koud bij het water en vroeg aan een Koreaanse bewaker of ik zijn jas mocht lenen. Ik zou hem dan ’s avonds weer terugbrengen. Ik had dat ook gedaan en zijn jas netjes opgevouwen op zijn bed gelegd, maar een andere gevangene heeft deze jas toen ongevraagd meegenomen. Het gevolg was dat ik een pak slaag van die Koreaan heb gekregen omdat hij zijn jas kwijt was. 16 maanden later was de spoorlijn klaar. De eerste trein die over de spoorlijn reed was een bordeeltrein voor de Japanse officieren. In augustus 1945 werd de oorlog beëindigd als gevolg van de capitulatie van Japan. De Amerikanen en de Australiërs werden als eersten opgehaald. De Britten namen de bewaking van het kamp over. Die Koreaan die mij afgerost had zat er ook nog, maar nu als gevangene. Het eerste wat ik deed was hem met gelijke munt terugbetalen en heb hem een zelfde pak slaag gegeven zoals dat ik van hem heb gehad. Na afloop boog hij voor mij en bedankte mij hiervoor vreemd genoeg. Later ben ik met mijn vrouw nog een keer terug geweest om het haar te laten zien, maar ook voor mijn verwerking.

Bent u hierna teruggegaan naar Nederland? U was al 5 jaren van huis. Ik denk dat u benieuwd was hoe u familieleden en niet te vergeten u verloofde, de oorlog hier hadden doorgemaakt.

Ik werd overgebracht van Birma naar Thailand en ingedeeld bij de landmacht. In het voorjaar van 1946 arriveerde Hr.Ms.Tromp om ons naar Nederland te brengen. Wij waren dolgelukkig. Twee weken later arriveerden wij in Sydney. We kregen een voorschot van 1000 Australische ponden op onze gage. We wisten dat er in Nederland overal een tekort aan was, dus het geld werd volledig omgezet in kleding en textiel. Alle kasten en gangen waren volgestapeld, vooral met wol dat daar erg goedkoop was. Het mooiste bericht kwam toen mijn verloofde Maria mij liet weten dat ze niet getrouwd was en op mij wachtte.

Wat voor gevoel had u toen u eindelijk na 6 jaren terugkeerde in Nederland?

Op 3 mei 1946, op enkele dagen 6 jaren later, kwam ik terug in Nederland. Dat was in Amsterdam. Ik heb er nog een foto van. Ik sta als hoornblazer aangetreden bij de gewapende wacht. Ik had een onbeschrijfelijk, maar ook emotioneel gevoel. Het was erg chaotisch nog in Nederland. Mijn vader, moeder en verloofde kwamen mij afhalen. Ik kreeg drie maanden verlof en heb mij daarna volgens afspraak gemeld in de marinekazerne te Amsterdam. Vandaaruit werd ik overgeplaatst naar de nieuwe marinierskazerne aan het Toepad te Rotterdam, de Van Ghentkazerne. In september 1946 maakte ik met de tamboers en pijpers en de marinierskapel weer op de derde dinsdag de eerste naoorlogse opening mee van de Staten Generaal, door Koningin Wilhelmina. Op het bureau Marinierskapel in deze kazerne werd ik te werk gesteld en hield ik mij onder meer bezig met de selectie van de nieuwe aanwas van tamboers en pijpers alsmede de coördinatie van de optredens. In 1970 ging ik met pensioen als adjudant en kwam er een einde aan een hele mooie carrière bij het Korps.

 

Harry Pruijsten
(Marinier van dec. 1963 t/m dec. 1969)