Het Korps Mariniers heeft grote namen voortgebracht. Zonder personen te noemen heeft u hier vast beelden bij. Dappere mannen die hun leven in de waagschaal stelden zonder uit te zijn op roem. Het kwam uit hun binnenste en ze gingen er voor. U en ik herinneren vast nog wel de grote wandschilden in het kantinegebouw van de Van Braam Houckgeestkazerne waarop hun namen vermeld staan en de dapperheidonderscheidingen welke ze met recht verdiend hebben. Ik wil het met u hebben over een man, wiens naam ik toevallig tegenkwam en onder de indruk was over wat hem is overkomen. Ik kan u zeggen dat ik hem niet benijd en helaas; er was toen ook nog geen goede nazorg zoals we deze nu kennen. Hier volgt zijn verhaal.

Door: Harry Pruijsten (marinier van 1963 tot 1969)

Henri Houben is zijn naam, geboren te Maastricht op 30 april 1920. Hij nam in december 1938 als vrijwilliger dienst bij het Korps Mariniers onder stamboeknummer M 5167. Na een jaar werd hij overgeplaatst naar het Marine depot aan de Van Meckelenburghlaan te Rotterdam. Op 10 mei 1940 vocht hij onder leiding van kapitein der mariniers Keuchenius bij de Leuvenhavenbrug, de Vier Leeuwenbrug en de Maasbruggen. Op 14 mei werd Rotterdam gebombardeerd en volgde de gedwongen capitulatie en werd Henri krijgsgevangene gemaakt en ondergebracht in het Unilevergebouw in deze stad. Op 29 juli werd hij ontslagen als krijgsgevangene, na eerst op 14 juli een verklaring te hebben ondertekend dat hij aan geen enkel front zou deelnemen in de strijd tegen de Duitsers. Hierna keert hij terug naar Maastricht om daar te gaan werken als hulpkok in de Centrale Keuken. Hij solliciteerde bij de Spoorwegen en werd aangenomen als assistent-ladingmeester. Zo kon hij de vijand toch nog enigszins dwarszitten door wagons te verwisselen en lijdelijk verzet te plegen door langzaamaan acties.

Foto: Marinier Houben tijdens schietoefeningen te Waalsdorp in 1939

Op 10 mei 1943 werd hij door de Duitsers opgeroepen zich te melden in Kamp Amersfoort, waarop hij vluchtte. Doel Engeland! Op zijn vlucht bereikte hij via België, Frankrijk en de Alpen het vrije Zwitserland. In Zwitserland dreigde hij geïnterneerd te worden, waarna hij weer vluchtte naar Frankrijk en vandaar naar Spanje. In de Spaanse Pyreneeën wordt hij door de Guardia Civil gearresteerd. Dit was het gevolg van de vondst door hem van een gewonde Poolse vlieger die dringend hulp nodig had. Hij ging hulp halen, wat hem zijn vrijheid kostte. Hij werd achtereenvolgens ondergebracht in zes verschillende gevangenissen en in het concentratiekamp Miranda de Ebro. In het laatste kamp wist hij de hond van de kampcommandant te stropen en te verorberen, wat nog lang als een keizerlijk dis door zijn herinneringen flitste. Vele ontberingen van het ergste soort doorstaat hij en uiteindelijk weet hij, nog maar 43 kilo zwaar, te ontsnappen naar Portugal. Eind januari 1944 bereikt hij totaal vermagerd Londen in een geblindeerd vliegtuig van de KLM, waar hij zich aansluit bij de Prinses Irene Brigade. Door Koningin Wilhelmina wordt hij persoonlijk geridderd met het Kruis van Verdienste. Als actief lid van de Irenebrigade is hij bij de bevrijding van Pont Audemer en stootte samen met de Geallieerden door tot Nijmegen en Arnhem.

Foto: Henri Houben bij de Prinses Irenebrigade op 5 april 1945

In november 1945 vertrekt hij met het schip de Bloemfontein naar Nederlands-Indië, vanwaar hij op 19 april 1949 geestelijk gebroken in Nederland terugkeert. Na één maand verlof moest hij zich weer melden in Kamp Volkel, waar hij als sergeant instructeur te werk wordt gesteld. Na 3 maanden trouwt hij met zijn verloofde Betty van Diermen. Zij was Marva en hij had haar leren kennen tijdens zijn verblijf in Engeland. Hier begint eigenlijk zijn grote tragedie door niet verwerkte gebeurtenissen en emoties, versterkt door burgerlijke regels en onbegrip.

Hier volgt zijn letterlijk relaas:

“Toen ik trouwde op 7 juli 1949, logeerde ik tijdelijk bij mijn schoonouders in Nijmegen. Dit in afwachting van de woonruimte in Volkel of Uden, welke mij door de Marine beloofd was. Dit was ook afgesproken met de afdeling Huisvesting van de Gemeente Nijmegen. Er was woningnood en elke vrije kamer in een woning moest aangemeld worden. Het huis waar mijn vrouw, inmiddels in verwachting, en ik in verbleven was eigendom van mijn schoonouders. Op 28 februari 1950 kreeg ik van de burgemeester van Nijmegen, dhr. Hustinx, een brief dat ik op zijn bevel en met behulp van de “sterke arm” en op mijn kosten het huis van mijn schoonouders moest verlaten, zonder dat ik elders een woning had”.

Foto: Trouwfoto van Henri en Betty Houben 7 juli 1949

“In een persoonlijk gesprek met burgemeester Hustinx, dat ik samen met mijn vrouw met hem had, wees ik hem er op dat ik mede bevrijder was van zijn stad Nijmegen en dat mijn vrouw in verwachting was van ons eerste kindje. Ik kreeg echter als antwoord: “Daar heb ik niets mee te maken, dat is uw probleem en niet het mijne. Ik houd mij aan de regels en wet is wet”. En wij konden gaan. Gelukkig steunde de Marine mij wel en kregen wij alsnog een woning in Uden”.

“Doordat burgemeester Hustinx nu wist dat er woonruimte vrij kwam bij mijn schoonouders, moesten zij in opdracht van hem, twee hun onbekende dames in huis nemen. Ook moesten mijn schoonouders, ook weer in zijn opdracht, hun badkamer verbouwen tot keuken en hun grote kamer en twee slaapkamers afstaan. Wat de Duitsers niet lukte, maar burgemeester Hustinx wel, was dat hij mij, mijn vrouw en schoonouders maatschappelijk kapot maakte. Ik werd ziek en opgenomen in het Marine hospitaal Overveen en werd vandaaruit doorgestuurd naar het Militair Neurose hospitaal te Austerlitz”.

Daar verblijft Henri van juni 1951 tot en met januari 1952. Wegens psychische problemen als gevolg van de oorlog wordt hij op 16 februari 1952 als sergeant der mariniers ongeschikt verklaard voor de waarneming van de dienst. Hij gaat werken bij de Koninklijke Nederlandse Papierfabriek in Maastricht als ingangscontroleur. Het onrechtvaardige in deze, en zo heeft hij dat ook altijd gevoeld, was dat hij maar voor 10% werd afgekeurd en dus ook een dien overeenkomstige uitkering kreeg. Door hard werken weet hij zijn ontberingen te onderdrukken, wat hem bijna een kwarteeuw lukt. Het onvermijdelijke gebeurt in 1976. Een vakantie met zijn echtgenote brengt de ommekeer in zijn situatie. In Lienz wilde hij graag enige foto’s maken van de Dolomieten. Daar is hij uren mee bezig geweest. Bij het zien van de bergen raakte hij van streek en kwamen niet verwerkte herinneringen uit het verleden weer naar boven. Hij raakte aan het zwerven. Het werd al donker toen hij zich weer wat van de vroeger opgedane kennis kon plaatsen om middels richtpunten terug te komen in de bewoonde wereld. Een winkeljuffrouw ontfermde zich over hem en er voor gezorgd dat hij weer terugkwam waar hij moest zijn.

Bij terugkomst in Nederland meldde hij zich bij zijn bedrijfsarts. Die bevestigt al wat hij al eerder vermoedde en zegt: “Nu heb je het zelf gezien. Jij bent niet meer geschikt voor deze baan. Te gevaarlijk met al die auto’s en treinen. Ik wilde dat je het zelf vroeg of laat zou ontdekken”. Henri wordt voor de tweede keer in zijn leven afgekeurd.

Na enige maanden thuis te hebben gezeten wordt hij gebeld door een kolonel-arts van Defensie, met het verzoek om samen met zijn vrouw een dagje naar Den Haag te komen. “Ik wil graag een praatje met je maken en je even keuren”. Tijdens het gesprek, dat na de keuring plaatsvond, zegt deze kolonel: “Ze hebben je belazerd.  Ze hadden je destijds voor 40% moeten afkeuren en niet voor 10%.  Ik kan het niet meer terugdraaien maar vanaf 1 maart 1976 krijg je 40% invaliditeitspensioen”. Op 1 januari 1979 wordt Henri voor 100% afgekeurd.

Henri mag hiervan tot 11 april 2004 genieten. Op die dag overlijdt hij in zijn geboortestad Maastricht. Eindelijk krijgt hij zijn verdiende rust.

Harry Pruijsten